Actiepunten eind 2025

AKDG Eindejaarstips 2025 teamfoto

Actiepunten voor de ondernemer

Tijdig bedrijfsmiddelen in gebruik nemen

Het Belastingplan 2023 bood het mkb de mogelijkheid om in 2023 op nieuwe bedrijfsmiddelen extra af te schrijven. Concreet hield dit in dat u op investeringen die u dat jaar deed direct al tot maximaal 50% over de aankoopprijs minus restwaarde mocht afschrijven ten laste van de winst. Over het restant moest u regulier afschrijven. Meer afschrijven in 2023 betekende minder belastbare winst, dus minder belasting betalen, waardoor u een liquiditeitsvoordeel had. Ook als u zelf een bedrijfsmiddel voortbracht, mocht u versneld afschrijven over de voortbrengingskosten die u in 2023 maakte. Bepaalde bedrijfsmiddelen waren uitgesloten van deze regeling, zoals gebouwen, schepen, vliegtuigen en bedrijfsmiddelen die bestemd zijn voor de verhuur aan derden. Ook bedrijfsmiddelen waarop via een andere regeling – zoals de Vamil – al vervroegd werd afgeschreven waren uitgesloten. Aan de mogelijkheid om vervoegd af te schrijven over bedrijfsmiddelen werd wel een belangrijke voorwaarde verbonden: u moet de bedrijfsmiddelen uiterlijk vóór 1 januari 2026 in gebruik hebben genomen. Controleer of dit ook daadwerkelijk is gebeurd en zorg dat u aan deze voorwaarde voldoet.

Het is zinvol om voor het optimaal benutten van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) te bekijken of u bepaalde investeringen nog in 2025 moet doen of dat u die beter kunt doorschuiven naar 2026. Het spreiden van investeringen kan u meer KIA opleveren. Investeert u in 2025 tussen € 2.900 en € 70.602, dan krijgt u hierover 28% KIA. U kunt voor een totale investering tussen € 70.602 en € 130.744 een vast bedrag claimen van € 19.769. Dit vaste bedrag neemt geleidelijk af bij investeringen van in totaal tussen € 130.744 en € 392.230. Boven een investeringsbedrag van € 392.230 krijgt u geen KIA meer. Spreiden van de investeringen over twee jaren is dan dus vaak voordeliger.

Toepassing maximum investeringsbedrag EIA gewijzigd

Het maximumbedrag aan energie-investeringen waarop u de energie-investeringsaftrek (EIA) kunt toepassen bedraagt € 151 miljoen. Dit maximum geldt in 2025 zowel voor investeringen in de eigen onderneming als voor investeringen in een samenwerkingsverband. Daardoor is het mogelijk dat de EIA in combinatie van beide situaties over meer dan € 151 miljoen kan worden toegepast. Om dit te voorkomen is een samentelbepaling ingevoerd. Het maximumbedrag aan energie-investeringen waarop de EIA kan worden toegepast bedraagt per belastingplichtige in totaal ten hoogste € 151 miljoen per jaar.

Nog één keer voordelig afschrijven op uw pand in eigen gebruik

Sinds 2024 mag u als ondernemer in de inkomstenbelasting over het bedrijfspand dat u in eigen gebruik heeft, nog maar afschrijven tot de WOZ-waarde. Voorheen mocht u meer afschrijven, namelijk tot op 50% van de WOZ-waarde van het pand. Is de boekwaarde van het pand al lager dan de WOZ-waarde? Dan heeft u geen bijtelling, maar kunt u niet verder afschrijven.

Overgangsregeling
U kunt mogelijk nog wel gebruikmaken van een overgangsregeling. Heeft u het pand in eigen gebruik al vóór 2024 tot uw ondernemingsvermogen of resultaatvermogen gerekend én daarover vóór 2024 nog geen 3 volledige boekjaren afgeschreven? Dan mag u in de resterende jaren van die 3 boekjaren nog volgens de oude regels afschrijven over dat pand. Concreet houdt dit in dat, als u voor het eerst heeft afgeschreven in 2023, u in 2025 nog een laatste keer volgens de oude regels mag afschrijven over het pand in eigen gebruik.

Herinvesteren of nog niet?

Heeft u in het verleden een herinvesteringsreserve gevormd van de winst bij verkoop van een bedrijfsmiddel? Controleer dan of dit jaar het laatste jaar is, waarin u de reserve moet gebruiken. Dat moet immers binnen drie jaar na het jaar waarin u de herinvesteringsreserve heeft gevormd. Is dat het geval, zorg er dan voor dat u dit jaar nog investeert en voorkom dat u de reserve aan de belastbare winst moet toevoegen.

Start btw-herziening bij verbouwingsdiensten

Vanaf 1 januari 2026 wordt de herzieningsregeling voor afgetrokken btw uitgebreid met verbouwingsdiensten. Dit is vorig jaar al beslist bij het Belastingplan 2025. De uitbreiding maakt een einde aan de constructie die vastgoedondernemingen inzetten om btw-aftrek te creëren. Daarbij wordt een pand omgebouwd naar nieuwe woningen die eerst kortdurend belast worden verhuurd, waardoor aftrekrecht ontstaat voor de btw op de verbouwingskosten. In het daaropvolgende kalenderjaar wordt overgestapt op langdurige (vrijgestelde) verhuur van de woningen, zonder dat de afgetrokken btw moet worden herzien. Hiervoor ontbreekt in de huidige btw-wetgeving een herzieningsregeling.

Hoe werkt de uitbreiding?
De uitbreiding gaat gelden voor verbouwingsdiensten aan onroerende zaken die niet tot nieuwbouw leiden. Denk hierbij aan schilderwerk, isolatie of dakrenovatie aan een pand. Daarbij geldt een drempel van € 30.000 (exclusief btw) per dienst. De vastgoedondernemer moet na het jaar van ingebruikname van de dienst 4 jaar bijhouden of de geclaimde btw-aftrek moet worden herzien. Daartoe wordt elk jaar het (vrijgestelde of belaste) gebruik van de dienst in dat jaar vergeleken met het (vrijgestelde of belaste) gebruik in het jaar van ingebruikname. Is in een jaar het gebruik met meer dan 10% gewijzigd ten opzichte van het jaar van ingebruikname, dan moet de aftrek worden herzien.

Desinvesteren of juist niet?

Heeft u bedrijfsmiddelen waarvoor u investeringsaftrek heeft gehad? Voorkom dan een desinvesteringsbijtelling. Daarmee krijgt u te maken als u deze bedrijfsmiddelen verkoopt binnen vijf jaar na het begin van het jaar, waarin u de aftrek heeft geclaimd. Ook als u binnen die termijn een handeling verricht die met verkoop gelijk wordt gesteld – u brengt bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel over naar uw privévermogen – krijgt u hiermee te maken.

Voorkom dat oude verliezen niet meer verrekenbaar zijn

Als u in het verleden verliezen heeft geleden, kunt u die in de inkomstenbelasting verrekenen met winsten van de voorafgaande 3 jaar of met de winsten van de 9 volgende jaren. Dit betekent dat verliezen uit 2016 na 31 december 2025 niet meer verrekenbaar zijn. Door tijdig actie te ondernemen, kunt u (een deel van) de verliezen misschien toch nog verrekenen. Dat kan bijvoorbeeld door omzet naar voren te halen, stille reserves in bedrijfsmiddelen te realiseren of uitgaven uit te stellen. Uw adviseur kan voor u uitzoeken welke mogelijkheden u nog heeft.

Bereid u voor op btw-verhoging logies

Vanaf 1 januari 2026 gaat het btw-tarief op logies en hotelovernachtingen fors omhoog van 9% naar 21%. Kampeerterreinen zijn van deze verhoging uitgezonderd. Vanwege de impact op de sector, is nog geprobeerd om deze verhoging via een motie in de Tweede Kamer van tafel te krijgen, maar het demissionaire kabinet wil de motie niet uitvoeren. Biedt u naast overnachtingen ook andere faciliteiten los aan, zoals ontbijt of toegang tot een zwembad of een attractiepark? Dan geldt daarvoor het 9%-tarief. Hanteert u een all-in prijs voor logies en andere faciliteiten? Dan moet u de vergoeding opsplitsen in deels belast met 21% en deels met 9%. Heeft u een bedrijf in deze sector? Pas dan uw administratie en systemen hierop aan.

De btw-verhoging van 9% naar 21% voor cultuur, media en sport per 1 januari 2026 is wel van de baan.

Vbar of Zelfstandigenwet?

Er liggen twee verschillende wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer die opdrachtgevers en zzp’ers duidelijkheid moeten verschaffen over de kwalificatie van hun arbeidsrelaties: het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en de Zelfstandigenwet. Eerstgenoemd wetsvoorstel is ingediend door het demissionaire kabinet en heeft als beoogde inwerkingtredingsdatum 1 juli 2026. Het andere is een initiatiefwetsvoorstel dat is ingediend door een aantal leden van de Tweede Kamer. Welke van deze wetsvoorstellen de basis gaat vormen voor de beoordeling van arbeidsrelaties, is op dit moment nog niet te zeggen.

Bereid u voor
Of het nou Vbar of Zelfstandigenwet wordt, het blijft belangrijk dat u als opdrachtgever in kaart brengt wie de zelfstandigen precies zijn die voor u werken, waarvoor zij bij uw bedrijf worden ingezet en onder welke voorwaarden. Vraag een deskundige om te toetsen of deze mensen op grond van de bestaande afspraken een werknemer zouden kunnen zijn. Zo ja, pas uw afspraken aan. Ook kan het verstandig zijn om te heroverwegen om met zelfstandigen te (blijven) werken. Heeft u deze mensen nu eenmaal nodig om het werk gedaan te krijgen? Vorm dan beleid met uitgangspunten voor het inzetten van zelfstandigen. Leg dat beleid ter beoordeling voor aan een deskundige.

Voorkom boetes bij schijnzelfstandigheid

Sinds begin dit jaar handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers kunnen daardoor te maken krijgen met naheffing van loonheffingen in het geval een zelfstandige wordt aangemerkt als werknemer. Er geldt wel een zogenoemde ‘zachte landing’, waarin de Belastingdienst in beginsel start met een bedrijfsbezoek. De Belastingdienst gaat daarbij eerst in gesprek met de opdrachtgever over de inhuur van zzp’ers. Tijdens dit gesprek wordt de opdrachtgever er zo nodig op gewezen aandacht te hebben voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties en mogelijke risico’s van schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst kan er dan voor kiezen om nog geen boekenonderzoek te starten, waardoor de opdrachtgever dus als het ware eerst wordt gewaarschuwd. Daarnaast worden aan opdrachtgevers en zelfstandigen nog geen verzuim- of vergrijpboetes opgelegd.

Geen verlenging overgangsperiode?
Hoewel de Tweede Kamer daar wel op aandrong, heeft het demissionaire kabinet toch besloten om de overgangsperiode niet te verlengen naar 2026. Verzuim- en vergrijpboetes worden dan dus weer mogelijk. Bij opzet bedraagt de vergrijpboete normaal gesproken 50% van de opzettelijk niet aangegeven loonheffing. Bij grove schuld is dat 25%.

Nu de samenstelling van de Tweede Kamer na de verkiezingen is gewijzigd, is de kans aanwezig dat deze beslissing nog wordt teruggedraaid. Daarover zal een nieuw kabinet moeten beslissen. Dat nieuwe kabinet zal er echter waarschijnlijk niet voor de jaarwisseling zijn.

Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

Beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen mogen vanaf 1 januari 2026 geen transacties in contanten meer verrichten vanaf € 3.000. Ook samengestelde transacties vallen onder het verbod. Betalingen opknippen bijvoorbeeld via verschillende facturen die allemaal onder het grensbedrag blijven, heeft daardoor geen zin. Particulieren die onderling handelen (bijvoorbeeld via Marktplaats) vallen niet onder het verbod. Verder geldt het verbod voorlopig nog niet voor dienstverleners als schoonmaakbedrijven, kappers en reisbureaus. Het is de bedoeling dat voor hen vanaf 10 juli 2027 ook een limiet gaat gelden voor contante betalingen.

Wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregelingen

De bedrijfsopvolgingsregelingen in de inkomstenbelasting (doorschuifregeling aanmerkelijk belang, DSR ab) en de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) zijn de afgelopen jaren telkens aangepast. Ook in 2026 worden er enkele wijzigingen in deze regelingen doorgevoerd. Zo worden de voorwaarden bij de bezitseis en de voortzettingseis in de BOR versoepeld. De bezitseis houdt in dat de erflater voorafgaand aan de overdracht minimaal 1 jaar (de schenker 5 jaar) in het bezit van de onderneming of de aandelen moet zijn geweest. De voortzettingseis houdt sinds dit jaar in dat de opvolger de onderneming minimaal 3 jaar voortzet of de aandelen minimaal 3 jaar houdt. Heeft de opvolger de onderneming (of de aandelen) vóór 1 januari 2025 verkregen? Dan blijft de oude voortzettingstermijn van 5 jaar van kracht.

De versoepeling van de voorwaarden bij de bezits- en voortzettingseis maakt het mogelijk dat bepaalde herstructureringen tijdens de bezits- en voortzettingsperiode vanaf 1 januari 2026 niet meer leiden tot een nieuwe bezits- en voortzettingsperiode. Denk hierbij aan een verandering van de juridische structuur, de rechtsvorm van de onderneming of een fusie of splitsing. Hiervoor gelden wel twee vereisten:

  • het (indirecte) belang van de schenker of erflater mag in de bezitsperiode niet toenemen; en
  • het (indirecte) belang van de opvolger mag in de voortzettingsperiode niet afnemen.

Preferente aandelen

Een andere wijziging per 1 januari 2026 in de bedrijfsopvolgingsregelingen betreft de wettelijke vastlegging van de nieuwe definitie van zogenoemde ‘preferente aandelen’. Dit zijn aandelen met voorrang ten aanzien van winstverdeling of liquidatieopbrengsten. Preferente aandelen kwalificeren in beginsel niet voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregelingen, tenzij deze ooit zijn ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging. Houdt u aandelen in een bv, waarin aandelen zijn uitgegeven met voorrang bij de winstverdeling? Vraag uw adviseur dan te beoordelen welke fiscale gevolgen de nieuwe definitie van preferente aandelen vanaf 1 januari 2026 voor u heeft.

Tegengaan constructies

Twee constructies waarbij ongewenst gebruik wordt gemaakt van de BOR, worden vanaf 1 januari 2026 bestreden. Ten eerste zijn dat de zogenoemde ‘rollatorinvesteringen’. Bij deze constructie vormen vermogenden vaak op hogere leeftijd beleggingsvermogen dat niet kwalificeert voor de BOR, om in ondernemingsvermogen dat wél kwalificeert voor de BOR. Deze constructie wordt bestreden door voor AOW-gerechtigden een langere, leeftijdsafhankelijke bezitsperiode in te voeren.

De andere constructie die vanaf 1 januari 2026 wordt bestreden is de zogenoemde ‘dubbel-BOR’. Bij deze constructie kopen ouders na het verstrijken van de voortzettingstermijn van 3 of 5 jaren de aan hun kind met gebruikmaking van de BOR overgedragen onderneming weer terug. Daarna wordt dezelfde onderneming opnieuw met toepassing van de BOR aan het kind geschonken. Deze constructie wordt bestreden doordat de BOR vanaf 1 januari 2026 nog slechts 1 keer per onderneming kan worden toegepast.

Actiepunten voor de DGA

Check schuldenlast bij uw eigen bv

Als u samen met uw partner schulden heeft bij uw eigen bv die meer bedragen dan € 500.000, dan wordt het meerdere boven de € 500.000 als aanmerkelijk belangvoordeel in box 2 belast. Leent uw bv aan uw (klein)kinderen of aan uw (groot)ouders of die van uw partner? Dan geldt voor u de grens van € 500.000 ook ten aanzien van deze verbonden personen en hun partners. Als zij zelf geen aanmerkelijk belang in uw bv hebben (5% of meer), dan vindt de belastingheffing over het meerdere boven deze € 500.000 bij u plaats. Hebben zij zelf wel een aanmerkelijk belang, dan vindt de heffing bij de lener/verbonden persoon plaats.

Eind 2025 controleert de Belastingdienst de schuldenlast bij uw eigen bv. Zorg ervoor dat u deze dan zo veel als mogelijk heeft teruggebracht tot maximaal € 500.000. Dat kan bijvoorbeeld door de lening af te lossen met privémiddelen of met een dividenduitkering. In sommige gevallen is het fiscaal beter de excessieflenenheffing te aanvaarden in plaats van het doen van een dividenduitkering. Vraag uw adviseur wanneer dit het geval is. Een andere optie is dat u een deel van de schuld herfinanciert bij een bank. Heeft u vastgoed in privé? Dan zou u kunnen overwegen om dit te verkopen om met de opbrengt de schuldenlast bij uw eigen bv terug te brengen.

Geen dubbele heffing

Eind 2023 was de drempel voor het excessief lenen € 700.000. Was uw schuldenlast toen hoger dan deze drempel, bijvoorbeeld € 800.000. Dan heeft u in de aangifte IB 2023 het meerdere (€ 100.000) moeten aangeven als inkomsten uit aanmerkelijk belang (ab-inkomen). Eind 2024 is de drempel verlaagd naar € 500.000. Had u dan nog steeds een schuld van € 800.000, dan toetste u eind 2024 opnieuw of u ab-inkomen moest aangeven vanwege een te hoge schuldenlast bij uw eigen bv. Maar doordat u in 2023 al over € 100.000 box-2-heffing hebt voldaan, werd de drempel eind 2024 met € 100.000 verhoogd van € 500.000 naar € 600.000. U heeft daardoor in de aangifte IB 2024 € 200.000 moeten aangeven (€ 800.000 minus € 600.000) als belast ab-inkomen. Zo wordt dubbele heffing voorkomen. Zonder de ophoging van de drempel had u immers € 300.000 (€ 800.000 minus € 500.000) als ab-inkomen moeten aangeven in uw IB-aangifte 2024. De drempel is dit jaar € 500.000 gebleven. Is de schuld bij uw eigen bv eind 2025 nog steeds € 800.000? Dan wordt voor de toepassing van de excessieflenenregeling in 2025 de drempel eerst verhoogd met € 300.000. Hierover heeft u immers in 2023 en 2024 al box-2-heffing betaald. De drempel is daardoor € 800.000. U hoeft daarom in 2025 geen ab-inkomen aan te geven op grond van de excessieflenenregeling.

Eigenwoningschulden

Op 31 december 2022 bestaande eigenwoningschulden bij uw eigen bv zijn uitgezonderd van de excessieflenenregeling. Bent u deze schulden daarna aangegaan? Dan moet u een hypotheekrecht hebben verstrekt aan uw eigen bv om onder deze uitzondering te vallen. Onder eigenwoningschulden vallen in dit verband alleen de schulden die zijn aangegaan voor de woning die als hoofdverblijf wordt gebruikt en dus niet schulden die zijn aangegaan voor een tweede woning of vakantiehuis.

Voorkom bijbetaling vennootschapsbelasting

Als uw bv vennootschapsbelasting moet bijbetalen, kan zij daarover 9% belastingrente in rekening gebracht krijgen. Dit kunt u voorkomen door een reële inschatting te (laten) maken van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Doet uw bedrijf het beter dan u begin 2025 had verwacht en is de winst waarschijnlijk hoger. Verzoek dan om een aanvullende voorlopige aanslag.

Hoogte belastingrente ter discussie

Er lopen momenteel procedures tegen de hoogte van de belastingrente in de vennootschapsbelasting. Een van deze zaken ligt nu bij de Hoge Raad, de hoogste belastingrechter. De adviseur van de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat de belastingrente in de vennootschapsbelasting te hoog is. Hij heeft de Hoge Raad geadviseerd om de rente te verlagen. Op het moment van schrijven van deze bijdrage had de Hoge Raad het verlossende woord nog niet gesproken. We houden u op de hoogte.

Zet onverrekenbaar ab-verlies om in belastingkorting

Heeft u een onverrekenbaar ab-verlies in box 2, omdat u geen aanmerkelijk belang meer heeft? U kunt dan in de 9 jaren na het jaar waarin u het ab-verlies heeft geleden, het ab-verlies laten omzetten in een belastingkorting in box 1. U kunt dus een ab-verlies dat u in 2016 heeft geleden nog tot 31 december 2025 laten omzetten in een belastingkorting in box 1. Deze korting kunt u verrekenen met de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in box 1 over het jaar 2025.

Optimaal dividend uitkeren

Het lage box-2-tarief van 24,5% geldt dit jaar voor de eerste € 67.804 inkomen uit een aanmerkelijk belang per belastingplichtige. Heeft u een fiscaal partner? Dan geldt het lage box-2-tarief tot € 135.608 bij een gelijke verdeling tussen u en uw partner. Boven € 67.804 inkomen uit een aanmerkelijk belang per belastingplichtige geldt het hoge tarief van 31%. Overweegt u om dit jaar een dividenduitkering te doen? Houd dan ook rekening met de gewijzigde systematiek van de algemene heffingskorting. De afbouw van deze heffingskorting vindt namelijk niet meer alleen plaats over uw box-1-inkomen, maar ook over uw inkomen uit box 2 en box 3. Keert u dividend uit, dan telt dit dus mee voor de afbouw van de algemene heffingskorting en krijgt u dus minder korting.

Bent u AOW-gerechtigd en heeft u recht op de ouderenkorting? Dan wordt ook die korting bij een dividenduitkering in 2025 sneller afgebouwd.

Voorkom onverrekenbaar ab-verlies

Verliezen uit een aanmerkelijk belang (ab) die vanaf 2019 zijn ontstaan, zijn nog 6 jaar verrekenbaar met toekomstige ab-winst, bijvoorbeeld met toekomstige dividenduitkeringen of winst bij verkoop van de ab-aandelen. De achterwaartse verliesverrekening is 1 jaar. Een ab-verlies uit 2019 is dus na 31 december 2025 niet meer verrekenbaar. Voor ab-verliezen uit 2018 en eerdere jaren is de oude termijn van 9 jaren blijven gelden. Een ab-verlies uit 2016 is dus na 31 december 2025 niet meer verrekenbaar. Door tijdig actie te ondernemen, kunt u (een deel) van de verliezen wellicht toch nog verrekenen. Vraag uw adviseur naar de mogelijkheden die u daartoe dit jaar heeft.

Aanpassing lucratiefbelangregeling uitgesteld

Om personeel aan u te binden kunt u als werkgever werknemers laten delen in de waardeontwikkeling van uw onderneming. Er zijn verschillende vormen van werknemersparticipaties, bijvoorbeeld (certificaten van) aandelen, opties en winstafhankelijke bonussen. Soms kan zo’n werknemersparticipatie een lucratief belang zijn. Dit doet zich vooral voor bij fonds- en bedrijfsmanagers in de private-equitysector, waarbij fondsmanagers als onderdeel van hun beloningsstructuur vermogensbestanddelen ontvangen, waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen. Bij private equity wordt geïnvesteerd in aandelen van niet-beursgenoteerde bedrijven, waarvan de verwachting is dat die zullen groeien. Als mede-eigenaar delen de aandeelhouders dan in de groei (en de risico’s) van dat bedrijf. De excessieve rendementen die fonds- en bedrijfsmanagers in de private-equitysector vaak maken uit deze aandelenbelangen worden in beginsel belast in box 1, maar onder voorwaarden kunnen deze belast worden in box 2 als inkomen uit een aanmerkelijk belang (de zogenoemde aanmerkelijkbelangvariant).

Aanmerkelijkbelangvariant

De manager houdt dan het lucratief belang via een aanmerkelijk belang in een kapitaalvennootschap. Een aandeelhouder heeft een aanmerkelijk belang bij een aandelenbezit van 5% of meer. Om te voorkomen dat de excessieve rendementen te laag worden belast, is de lucratiefbelangregeling aangepast. Houders van een middellijk lucratief belang gaan vanaf 1 januari 2028 meer belasting betalen. Daartoe wordt de heffingsgrondslag verbreed, waardoor de effectieve belastingdruk in box 2 wordt verhoogd tot maximaal 36%, afhankelijk van de belastingschijf waarin het voordeel valt. Valt het voordeel uit het lucratief belang in de eerste belastingschijf van box 2? Dan is de effectieve belastingdruk niet 24,5% maar 28,45%. Valt het voordeel in de tweede schijf? Dan is de effectieve belastingdruk niet 31% maar 36%.

Uitgestelde inwerkingtreding

In het Belastingplan 2026 was voorgesteld om deze maatregel al op 1 januari 2026 in werking te laten treden. Maar de Tweede Kamer wilde uitstel tot 1 januari 2028 vanwege waarschuwingen van de Belastingdienst over fraudegevoeligheid en uitvoeringsproblemen. Bovendien zou de maatregel onbedoelde gevolgen hebben voor werknemersparticipaties bij start- en scale-ups. U heeft nu dus nog twee jaar langer de tijd om een voordeel uit uw lucratief belang te genieten tegen de bestaande box-2-tarieven.

Fonds gemene rekening: voldoe tijdig aan voorwaarden inkoopfonds

Fondsen voor gemene rekening (fgr’s) die tot 31 december 2024 transparant waren, konden vanaf 1 januari 2025 zelfstandig belastingplichtig worden. Dit is het gevolg van de gewijzigde definitie van het fgr, waardoor zij vanaf 1 januari 2025 voldoen aan de voorwaarden voor het zijn van een fgr. Dit gold (en geldt) niet voor het fgr waarvan de bewijzen van deelgerechtigdheid uitsluitend vervreemd kunnen worden aan het fonds zelf (een inkoopfonds). De fgr’s die na 1 januari 2025 transparant wilden blijven, konden onder voorwaarden een inkoopfonds worden. Maar omdat zij vaak te weinig tijd hadden om nog vóór de jaarwisseling aan de voorwaarden te voldoen, werd er een overgangsregeling getroffen. Op grond van deze regeling kon een fgr vanaf 1 januari 2025 een inkoopfonds zijn als voor die datum het voornemen bestond om te herstructureren én het fonds uiterlijk op 31 december 2025 aan de voorwaarden voor het zijn van inkoopfonds voldoet.

Actiepunten voor werkgevers en werknemers

Lagere bijtelling elektrische auto van de zaak verlengd

De bijtelling voor het rijden in een nieuwe elektrische auto van de zaak is dit jaar 17% over de eerste € 30.000 catalogusprijs van de auto en 22% over het meerdere. Volgend jaar gaat het lage percentage naar 18% en in 2027 gaat dit percentage naar 20%. Pas in 2028 vervalt het lagere percentage over de eerste € 30.000 catalogusprijs. Voorgesteld was om het lagere percentage al op 1 januari 2026 te laten vervallen, maar dat is nu dus uitgesteld. Pas vanaf 2028 wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen elektrische auto’s en auto’s op fossiele brandstof. Op grond van een overgangsregeling, mag u vanaf de eerste tenaamstelling nog 60 maanden de bestaande bijtelling hanteren. Rijdt u nu in een elektrische auto met bijvoorbeeld een bijtelling van 12% en loopt de 60-maandstermijn af in 2026? Dan gaat de bijtelling daarna omhoog naar 18% over de eerste € 30.000 catalogusprijs en 22% over het meerdere!

Vrije ruimte optimaal benutten

Het percentage van de vrije ruimte in de werkkostenregeling over de eerste € 400.000 fiscale loonsom is dit jaar 2%. Boven de € 400.000 is het percentage 1,18%.

Controleer of u de vergoedingen en verstrekkingen die u aan uw werknemers hebt gegeven op de juiste wijze heeft verwerkt voor de werkkostenregeling en of u mogelijk nog ruimte over heeft om de werkkostenregeling optimaal te benutten. U mag vergoedingen en verstrekkingen ten laste van uw vrije ruimte brengen als het gebruikelijk is dat de werknemer deze onbelast krijgt. De Belastingdienst beschouwt vergoedingen en verstrekkingen van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar als gebruikelijk. Vergoedingen en verstrekkingen van in totaal minder dan € 2.400 per werknemer kunt u dus onbelast uitkeren vanuit de vrije ruimte.

Alternatief bij volle vrije ruimte

Heeft u de vrije ruimte al helemaal benut? Dan hoeft de eindheffing niet per definitie duur voor u uit te pakken. U moet alleen andere keuzes maken. Stel, u bent van plan om uw werknemers een bonus te geven van € 500 bruto, waarvan zij ieder zo’n € 250 netto overhouden. Uw kosten (inclusief werkgeverslasten) bedragen dan zo’n € 600. Wijst u nu de nettobonus van € 250 aan in de vrije ruimte, maar is die opgebruikt, dan moet u daarover 80% eindheffing betalen. Uw kosten zijn dan slechts € 450. Toch snel verdiend! Maar u kunt natuurlijk ook het stukje voordeel aan uw werknemers geven en uw kosten gelijk houden.

Eindheffing werkkostenregeling voorkomen of toch niet?

Begin 2026 moet u beoordelen of u in 2025 de vrije ruimte hebt overschreden. Blijft het totale eindheffingsloon binnen de vrije ruimte, dan hoeft u geen eindheffing aan te geven en te betalen. Wordt de vrije ruimte overschreden, dan betaalt u 80% eindheffing over het verschil tussen de vrije ruimte en het totale eindheffingsloon dat in de vrije ruimte is aangewezen. De eindheffing geeft u aan in de loonaangifte over het tweede tijdvak van 2026. U kunt de eindheffing voorkomen door tussentijds te controleren of u de vrije ruimte niet overschrijdt.

Concernregeling

Is er sprake van een concern (tenminste 95% aandelenbelang gedurende het hele kalenderjaar)? Dan zou de concernregeling mogelijk een voordeel kunnen opleveren. Bij het toepassen van deze regeling berekent u de eindheffing op concernniveau. Hiervoor telt u alle fiscale loonsommen van de vennootschappen die aan de voorwaarden voldoen bij elkaar op. Hierover berekent u de vrije ruimte. Komen de vergoedingen en verstrekkingen van dat concern boven de vrije ruimte? Dan berekent u over het meerdere de eindheffing. Is deze eindheffing minder dan de eindheffing die u voor alle vennootschappen individueel heeft berekend? Dan levert de concernregeling een voordeel op. U mag dit achteraf en ieder jaar weer bepalen.

Rond tijdig project MDIEU-subsidie af

Vorig jaar kon u gebruikmaken van de MDIEU-subsidie. Deze subsidie was bedoeld voor activiteiten die de duurzame inzetbaarheid van werknemers verbeteren en om oudere werknemers met zwaar werk eerder te laten stoppen. Heeft u deze subsidie benut? Dan bent u aan de hand van een activiteitenplan aan de slag gegaan om de duurzame inzetbaarheid van uw werknemers te verbeteren. Aan deze activiteiten was echter ook een einddatum gekoppeld. Die komt er al snel aan: u moet het project namelijk uiterlijk 31 december 2025 hebben afgerond.

Aanwijzen in 2025

Om vergoedingen en verstrekkingen in de vrije ruimte te plaatsen of om gebruik te maken van de gerichte vrijstellingen moet de vergoeding of verstrekking worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De Belastingdienst neemt gedurende het kalenderjaar aan dat zo’n aanwijzing heeft plaatsgevonden als de vergoeding of verstrekking niet tot het loon van de werknemer is gerekend. Is de vergoeding of verstrekking gegeven in een vorig kalenderjaar, dan zal de vergoeding of verstrekking worden beschouwd als belast loon van de werknemer. De gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte zijn dan niet alsnog van toepassing. Het is dus van groot belang dat u de vergoeding en/of verstrekking vooraf aanwijst.

Aanname Belastingdienst

Als u een vergoeding geeft of verstrekking doet aan uw werknemers, waarbij u voldoet aan de voorwaarden van de betreffende gerichte vrijstelling, neemt de Belastingdienst aan dat u de vergoeding of verstrekking heeft aangewezen. Als u bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding betaalt van maximaal € 0,23 per kilometer, wordt dus aangenomen dat u de vergoeding hebt aangewezen. Vergoedt u meer dan € 0,23, dan moet u het meerdere wél expliciet aanwijzen.

Vraag tijdig S&O-afdrachtvermindering aan

U kunt de (loon)kosten voor Research & Development (R&D) met de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk(WBSO) verlagen. Deze fiscale stimuleringsregeling compenseert namelijk een deel van de loonkosten en overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O). In 2026 blijven de tarieven gelijk aan 2025. Het tarief in de eerste schijf is 36%. Bent u een startende ondernemer? Dan is het tarief in de eerste schijf 50%. De grens van de eerste schijf gaat in 2026 omhoog van € 380.000 (loon)kosten naar € 391.020. Het tarief van de tweede schijf is 16%. U kunt zelf bepalen hoeveel van het toegekende WBSO-budget u in welk loonaangiftetijdvak wilt verrekenen met uw loonheffingen.

Geen bijtelling meer voor deelfietsen van de zaak

Een fiets van de zaak wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan als de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat. Dat betekent in de praktijk dat vooral bij hubfietsen, ov-fietsen en andere deelfietsen, die worden gebruikt voor een deel van het woon-werkverkeer, de bijtelling van toepassing is. Dit is gewijzigd door te verduidelijken dat de bijtelling niet geldt voor deelfietsen die over het algemeen niet thuis worden gestald. Hierdoor is voor een fiets die voor (ten minste een deel van) het woon-werkverkeer wordt gebruikt geen bijtelling meer verschuldigd, als die fiets niet meer dan bijkomstig (dus niet meer dan 10%) bij het woon- of verblijfadres wordt gestald. De wijziging geldt met terugwerkende kracht vanaf 2020.

Nog meer versobering ETK-regeling

De extraterritoriale kostenregeling (ETK-regeling) voor inkomende buitenlandse werknemers wordt verder versoberd. Binnen deze regeling kunnen ingekomen werknemers een onbelaste vergoeding of verstrekking krijgen voor bepaalde extra kosten. Daartoe hebben zij twee mogelijkheden: vergoeding van de werkelijke extra kosten of toepassing van de forfaitaire expatregeling, waarbij onder voorwaarden maximaal 30% van het belastbare loon onbelast vergoed wordt.

In het geval de werkelijke ETK vergoed worden, worden de extra kosten van levensonderhoud, waaronder kosten van gas, water, licht en andere nutsvoorzieningen en de extra gesprekskosten voor privédoeleinden met het land van herkomst vanaf 2026 uitgesloten als onbelast te vergoeden of te verstrekken extraterritoriale kosten.

Voor de forfaitaire expatregeling heeft het uitsluiten van de genoemde kostenposten geen gevolgen. Met de overblijvende kostenposten wordt het maximumpercentage van de expatregeling voldoende onderbouwd. Die bestaan namelijk vooral uit de kosten van dubbele huisvesting en de reiskosten van en naar het land van herkomst.

Eerdere versobering forfaitaire expatregeling

Al eerder is besloten om het percentage van de forfaitaire expatregeling vanaf 1 januari 2027 te verlagen van 30% naar 27%. Dit geldt zowel voor ingekomen werknemers als uitgezonden werknemers. In 2025 en 2026 geldt voor alle ingekomen en uitgezonden werknemers een forfait van 30%. Daarnaast blijft het 30%-forfait gelden voor alle ingekomen werknemers die vóór 2024 een 30%-vergoeding hebben ontvangen. Voor ingekomen werknemers die in 2024 voor het eerst hun 30%-beschikking toepassen, gaat het forfait van 27% gelden vanaf 1 januari 2027. Voor uitgezonden werknemers gaat het forfait van 27% vanaf 2027 gelden voor alle lopende en nieuwe gevallen. 

Verhoging salarisnormen in 2027

Vanaf 2027 wordt de salarisnorm van de forfaitaire expatregeling verhoogd van € 46.660 naar € 50.436. Voor jonge werknemers tot 30 jaar met een mastergraad gaat de salarisnorm van € 35.468 naar € 38.338. Dit zijn de bedragen volgens het prijspeil in 2025, maar door jaarlijkse indexatie zullen deze bedragen in 2027 hoger zijn. Voor ingekomen werknemers die de expatregeling al vóór 2024 toepasten geldt overgangsrecht. Voor hen blijven de oude (geïndexeerde) salarisnormen gelden.

Overgangsregeling bij maximering 30%-regeling

De forfaitaire expatregeling voor ingekomen werknemers is beperkt tot de norm uit de Wet normering topinkomens (WNT, ook wel Bakenende-norm genoemd). Dit normbedrag is voor 2025 € 246.000 per jaar. Bij een hoger inkomen mag u zonder nader bewijs niet meer dan € 73.800 (30% over € 246.000) onbelast vergoeden. In 2026 zal de WNT-norm € 262.000 bedragen.

Stapsgewijze afschaffing LKV oudere werknemer

Vanwege de beperkte doeltreffendheid en doelmatigheid wordt het LKV oudere werknemer (56+) stapsgewijs afgeschaft. Daartoe is het LKV oudere werknemer voor dienstbetrekkingen die zijn begonnen op of na 1 januari 2024 per 1 januari 2025 verlaagd van € 3,05 naar € 1,35 per verloond uur. Ook het maximumbedrag is verlaagd van € 6.000 per kalenderjaar naar € 2.600 per kalenderjaar in 2025. Op 1 januari 2026 wordt het LKV oudere werknemer afgeschaft. Voor dienstbetrekkingen die zijn begonnen vóór 1 januari 2024 geldt echter een uitzondering. Voor deze groep is het LKV oudere werknemer niet verlaagd en wordt deze ook niet afgeschaft. In een overzicht ziet de stapsgewijze afschaffing van het LKV oudere werknemer er per verloond uur als volgt uit:

2024     2025    2026

Dienstbetrekkingen die begonnen vóór

1 januari 2024                                                  € 3,05   € 3,05   € 3,05

Dienstbetrekkingen die beginnen in 2024           € 3,05   € 1,35   –

Dienstbetrekkingen die beginnen in 2025           n.v.t.     € 1,35   –

Dienstbetrekkingen die beginnen in 2026           n.v.t.     n.v.t.     –

Hoe werkt dit uit?
Stel, een werknemer is op 1 juli 2024 in dienst getreden. Hij voldoet aan de voorwaarden voor het LKV oudere werknemer. U hebt dan voor de 6 resterende maanden in 2024 recht op € 3,05 per verloond uur met een maximum van € 6.000 voor een heel kalenderjaar. Voor de verloonde uren in 2025 heeft u recht op het verlaagde bedrag van € 1,35 per uur met een maximum van € 2.600 per jaar. Is de dienstbetrekking begonnen in 2025? Dan heeft u vanaf dat moment recht op het LKV oudere werknemer van € 1,35 per verloond uur met een maximum van € 2.600 per jaar.Vanaf 1 januari 2026 heeft u voor deze werknemers geen recht meer op het LKV oudere werknemer. Het LKV oudere werknemer over 2025 wordt in 2026 aan u uitbetaald.

Wijzigingen LKV doelgroep banenafspraak

Op 1 januari 2026 treedt een deel van de Wet banenafspraak in werking, waardoor het voor u als werkgever eenvoudiger en aantrekkelijker wordt om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Zo heeft u geen doelgroepverklaring meer nodig voor het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak (€ 2.000 per jaar per werknemer). U kunt op basis van het doelgroepregister banenafspraak bepalen of u voor een werknemer in aanmerking komt voor het LKV banenafspraak. Wel blijft het nodig dat u in de aangifte loonheffingen de indicatie aanvinkt voor het LKV banenafspraak. Daarnaast wordt de 3-jaarstermijn voor dit LKV geschrapt. Het LKV banenafspraak kunt u voortaan benutten zolang de arbeidsbeperkte werknemer in dienst is. Hiermee samenhangend vervalt de voorwaarde dat een werknemer in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum indiensttreding niet bij u in dienstbetrekking mag zijn geweest. Tot slot kan het LKV banenafspraak vanaf 1 januari 2026 niet meer worden aangevraagd voor scholingsbelemmerden. Lopende LKV’s voor deze doelgroep mogen nog wel doorlopen totdat de 3-jaarstermijn is volgemaakt.

Laat beschikkingen Whk-premie 2026 controleren

U krijgt binnenkort de beschikking gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) 2026 van de Belastingdienst. Het is verstandig om deze beschikking goed te (laten) controleren, want het komt regelmatig voor dat de beschikking niet goed wordt vastgesteld. Veel voorkomende fouten zijn onjuiste loonsommen waarop de premie is gebaseerd, maar ook foutieve bedragen van aan u toegerekende uitkeringen van (ex-)werknemers of het onterecht toerekenen van uitkeringslasten, bijvoorbeeld van werknemers die nooit bij u hebben gewerkt. Mocht de beschikking niet juist zijn, zorg er dan voor dat u binnen zes weken bezwaar maakt (laat maken) tegen de beschikking.

Actiepunten voor alle belastingbetalers

Introductie box-3-heffing eigen gebruik onroerende zaken

De Hoge Raad besliste eind vorig jaar dat het eigen gebruik van onroerende zaken, zoals een vakantiewoning, in principe tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort. Maar omdat hiervoor nog geen wettelijke regeling bestond, werd toch niet aan box-3-heffing toegekomen. Concreet betekent dit dat de waarde van het eigen gebruik nihil is tot en met 2025.

Met de inwerkingtreding van de Wet tegenbewijsregeling box 3 is echter alsnog een waardebepaling opgenomen van het werkelijke rendement van het eigen gebruik van een onroerende zaak in box 3. Hiervoor wordt uitgegaan van de zogenoemde ‘economische huurwaarde’. Dat is de huurprijs die bij verhuur onder normale omstandigheden bedongen kan worden. U mag daarbij uitgaan van 5,06% van de WOZ-waarde. Tot 2028 geldt echter nog het forfaitaire box-3-stelsel, maar met een tegenbewijsmogelijkheid als het werkelijke rendement aantoonbaar lager is dan het forfaitaire rendement. Vanaf 2026 kunt u dat tegenbewijs leveren via uw aangifte inkomstenbelasting. Tot het werkelijk rendement van uw box-3-vermogen behoort dan ook de werkelijke waarde van het eigen gebruik van een onroerende zaak, berekend op grond van de nieuwe waardebepaling. 

Benut lijfrentepremieaftrek

Heeft u een pensioentekort? In dat geval kunt u hiervoor een aanvullend inkomen regelen. Bijvoorbeeld door bij een verzekeraar een lijfrentepolis te sluiten of bij een bank een lijfrentebankspaarproduct. Sinds begin 2023 zijn de aftrekruimtes in de jaarruimte en de reserveringsruimte aanzienlijk verruimd. Zo is de jaarruimte nu 30% van uw loon of uw winst uit een onderneming verminderd met het deel waarover u later AOW ontvangt. De jaarruimte is maximaal € 35.798. De maximale reserveringsruimte is verhoogd naar € 42.108 en geldt voor de onbenutte jaarruimtes van de afgelopen 10 jaar (voorheen 7 jaar). Maar let op, alleen de lijfrentepremie die u in 2025 daadwerkelijk heeft betaald, kunt u aftrekken in uw aangifte inkomstenbelasting 2025 die u volgend jaar indient bij de Belastingdienst.

Aftrek vergeten?

Bent u in de afgelopen 5 jaar vergeten om de lijfrentepremie in aftrek te brengen? Verzoek dan bij de Belastingdienst om een ambtshalve vermindering. U moet dan wel kunnen aantonen dat u de lijfrentepremies niet heeft afgetrokken. Dat kunt u doen met kopieën van de ingediende aangiften inkomstenbelasting van de afgelopen jaren en de aanslagen over die jaren. Bewaar daarom de oude aangiften en aanslagen!

Codificatie en uitbreiding uitzendregeling eigen woning

Een van de vereisten voor hypotheekrenteaftrek is dat de woning een eigen woning moet zijn. De uitzendregeling voorkomt dat een woning geen eigen woning meer is als u tijdelijk elders verblijft. Op verzoek kan de woning dan tijdens het verblijf elders een eigen woning blijven. Voorwaarde hierbij is dat de woning in deze periode niet in gebruik is bij derden. Derden zijn volgens een goedkeuring niet uw partner, (stief)kinderen, ongeacht de leeftijd en andere personen. Laatstgenoemden moeten direct voorafgaand aan uw tijdelijke verblijf elders al gedurende ten minste 12 aaneengesloten maanden tot uw huishouden hebben behoord. Deze goedkeuring wordt in de Wet IB 2001 opgenomen en de groep van personen die geen derden zijn, wordt vanaf 2026 uitgebreid met (stief)(achter)kleinkinderen (bloed- of aanverwanten in de neergaande lijn).

Voorkom beperking renteaftrek

Heeft u na 2012 een hypotheek afgesloten voor de eigen woning die u als hoofdverblijf gebruikt? Dan heeft u een jaarlijkse aflossingsverplichting, waaraan u moet voldoen om de hypotheekrenteaftrek te kunnen claimen. Controleer daarom of u eind 2025 voldoende heeft afgelost. Mocht dat niet zo zijn, los dan alsnog voldoende af. Als u niet aan uw aflossingsverplichting voldoet, kan dit tot beperking van uw renteaftrek leiden.

Forfait ‘overige bezittingen’ box 3 minder verhoogd

Tot en met 2027 wordt de box-3-heffing berekend aan de hand van forfaitaire rendementspercentages voor de drie categorieën ‘bank- en spaartegoeden’, ‘overige bezittingen’ en ‘schulden’. De forfaits voor de categorieën ‘bank- en spaartegoeden’ en ‘schulden’ worden pas na afloop van het kalenderjaar vastgesteld. Maar het forfait voor de ‘overige bezittingen’ is al wel bekend en wordt per 1 januari 2026 verhoogd van 5,88% naar 6%. De voorgestelde verhoging naar 7,78% gaat dus niet door. U heeft op grond van de tegenbewijsregeling de mogelijkheid om box-3-heffing terug te vragen als het werkelijke rendement over uw gehele vermogen aantoonbaar lager is dan het forfaitaire rendement. De kans dat zich dit voordoet is het grootst als uw vermogen alleen bestaat uit bank- en spaartegoeden en/of laagrentende vorderingen. Vermogensmutaties tellen namelijk ook mee als werkelijk rendement. Behoren onroerende zaken en/of een effectenportefeuille bijvoorbeeld tot uw vermogen, dan zullen die over het algemeen zodanig in waarde zijn gestegen, dat het werkelijk rendement hoger is dan het forfaitaire rendement.

Het tegenbewijs van uw werkelijke rendement geeft u nu nog door aan de Belastingdienst met het Opgaaf werkelijk rendement-formulier (OWR-formulier). Vanaf 2026 kunt u dit tegenbewijs leveren via de aangifte inkomstenbelasting.

Geen lager heffingvrij vermogen

Het deel van uw vermogen waarover u geen box-3-heffing hoeft te betalen, het heffingvrije vermogen, gaat volgend jaar toch omhoog van € 57.684 naar € 59.357. Heeft u een fiscale partner? Dan bedraagt het heffingvrije vermogen in 2026 € 118.714. De voorgestelde verlaging van het heffingvrije vermogen tot € 51.396 per belastingplichtige (fiscale partners: € 102.792) gaat dus niet door.

Minder box-3-vermogen

Hoewel de forse verhoging van het forfait voor de categorie ‘overige bezittingen’ en de flinke verlaging van het heffingvrije vermogen niet doorgaan, blijft het de moeite waard om te kijken of u uw box-3-vermogen kunt verlagen. Dat zou u kunnen bewerkstelligen door bijvoorbeeld:

  • nog dit jaar de geplande aankoop te doen van dure goederen die niet tot box 3 worden gerekend (denk aan een auto, boot of kunstwerk);
  • zo veel als mogelijk je belastingschulden te betalen. Deze schulden kunt u niet aftrekken van uw vermogen in box 3, maar betaalt u deze schulden vóór 31 december 2025, dan neemt uw banksaldo af en wordt uw vermogen in box 3 dus wel lager. Een uitzondering wordt overigens gemaakt voor de verschuldigde erfbelasting. Die schuld is wel aftrekbaar van het box-3-vermogen.
  • extra af te lossen op uw hypotheek;
  • te schenken aan uw kind(eren);
  • gebruik te maken van de aftrekruimtes voor lijfrentepremie als u een pensioentekort heeft. Door meer te storten op een lijfrentepolis met meer aftrek in box 1, verlaagt u ook uw box-3-vermogen.
  • Uw verhuurde panden te verkopen en de opbrengst op een spaarrekening te zetten, die veel lager wordt belast in box 3.

Wijziging fiscale behandeling obligaties in box 3

In de tegenbewijsregeling box 3 werd bij de berekening van de werkelijke box-3-waarde van obligaties geen rekening gehouden met de aangegroeide rente. Dit leidde tot een belastinglek. Dit lek is gedicht door twee maatregelen te treffen met terugwerkende tot 25 augustus 2025, 16.00 uur. Ten eerste is de vrijstelling voor kortlopende termijnen vervallen in de tegenbewijsregeling box 3. Deze vrijstelling houdt geen rekening met de waarde van een recht om na 1 januari rente te ontvangen. Denk aan lopende rentetermijnen van een bank- of spaarrekening of een obligatie. Door de vrijstelling te laten vervallen, wordt de aangegroeide rente wel meegenomen in de waardering. De vrijstelling blijft overigens wel bestaan voor banktegoeden, omdat hierdoor geen belastingontwijkingsmogelijkheden ontstaan.

Ten tweede is de regel in de tegenbewijsregeling vervallen dat obligaties en andere effecten met kortlopende termijnen worden gewaardeerd op de slotnotering op de laatste beursdag van het kalenderjaar. Deze notering is namelijk zonder de aangegroeide rente. Dit heeft tot gevolg dat obligaties voortaan moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer.

Geef vóór 2026 uw cryptobezit aan

Cryptovaluta behoren – net als andere vermogensbestanddelen – tot uw box-3-vermogen en dus moet u die ook aangeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Heeft u dat nog niet gedaan? Weet dan, dat u dit jaar nog gebruik kunt maken van de inkeerregeling. Hiermee kunt u uw aangifte verbeteren. Het moet wel een ‘vrijwillige verbetering’ zijn. Dit komt erop neer dat de inkeerregeling alleen geldt zolang u niet weet of moet vermoeden dat de Belastingdienst bekend zal worden met uw cryptobezit. Bij een rechtsgeldige inkeer legt de inspecteur geen of alleen een gematigde boete op bij de alsnog verschuldigde belasting. Het is raadzaam om nog dit jaar in te keren. Vanaf 1 januari 2026 moeten cryptoplatforms namelijk aan de Belastingdienst doorgeven wie hoeveel cryptovaluta bezit en welke transacties daarmee zijn gedaan. Van een vrijwillige verbetering kan er dan waarschijnlijk geen sprake meer zijn.

Nog 1 keer middelen bij wisselend inkomen

De middelingsregeling is sinds 2023 afgeschaft. Maar u kunt deze regeling nog wel benutten als u tot en met 2024 met inkomensschommelingen te maken had. Die wisselende inkomsten kunnen in het ene jaar zwaar belast zijn en in het andere jaar juist niet. De middelingsregeling matigt de belastingheffing over deze inkomsten door de inkomsten gelijkmatig over de jaren te verdelen. U telt de belastbare inkomens van drie aaneengesloten jaren op en deelt het totaal door drie. Over dit gemiddelde inkomen herrekent u per jaar de verschuldigde inkomstenbelasting. Als u over de drie jaren meer dan € 545 minder belasting verschuldigd bent dan zonder de middeling, kunt u deze belasting terugvragen bij de Belastingdienst. De teruggaaf heeft geen invloed op de toeslagen die u al hebt gehad.

Had u in 2022, 2023 en/of 2024 een sterk wisselend inkomen? Dan is het verstandig om te (laten) berekenen of toepassing van de middelingsregeling u een belastingvoordeel oplevert. Situaties waarin de middelingsregeling voordelig kan zijn, zijn:

  • bij sterk wisselende winst uit uw onderneming;
  • na uw afstuderen als u een vaste baan heeft gekregen;
  • als u een ontslagvergoeding (‘gouden handdruk’) heeft ontvangen;
  • u in de afgelopen jaren bent gestart of gestopt met werken;
  • als u minder bent gaan werken of onbetaald verlof heeft opgenomen.

Berekening meesturen niet nodig

U hoeft geen berekening mee te sturen bij uw middelingsverzoek. Wel moet u aangeven over welke drie aaneengesloten kalenderjaren de middeling moet plaatsvinden. De overige gegevens die nodig zijn voor het herberekenen van de belasting in het kader van middeling zijn bij de Belastingdienst bekend. Het is wel verstandig om de middelingsberekening voor uzelf te (laten) maken. Zo kunt u controleren of de berekening van de Belastingdienst klopt.

Besteed tijdig de schenking eigen woning!

De schenkingsvrijstelling eigen woning is sinds 1 januari 2024 afgeschaft. Maar heeft u in 2023 voor het eerst een schenking ontvangen met een beroep op deze vrijstelling (€ 28.947)? Dan kunt u er op dit moment nog wél mee te maken hebben. U moet de schenking dan namelijk uiterlijk 31 december 2025 volledig hebben besteed aan de eigen woning. Dit moet u schriftelijk kunnen bewijzen. Kunt u de vrijstelling deels of geheel niet aanwenden voor het einde van het jaar? Dan zult u dat moeten doorgeven aan de Belastingdienst. De aanslag schenkbelasting volgt in dat geval vanzelf.

Kostengrens NHG-hypotheek verhoogd

De kostengrens voor een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie gaat op 1 januari 2026 omhoog van € 450.000 naar € 470.000. Koopt u een woning met energiebesparende voorzieningen en financiert u die mee? In dat geval wordt het plafond € 498.200 (in 2025: € 477.000). De NHG-premie blijft in 2026 gelijk: 0,4%. Heeft u koopplannen en wilt u gebruikmaken van de NHG? In dat geval kan het verstandig zijn om daarmee te wachten tot 2026.

Beperking leegwaarderatio bij verhuur woningen

De waarde van verhuurde woningen geeft u aan in box 3. Woningen in verhuurde staat hebben een lagere waarde dan woningen die vrij opleverbaar zijn. Met het waardedrukkend effect van de verhuurde staat wordt rekening gehouden door middel van de leegwaarderatio. De verhuurde woning geeft u daardoor in box 3 aan tegen een lagere waarde dan de WOZ-waarde. Dit geldt ook voor de Successiewet. Op deze waarderingsregel wordt voortaan een uitzondering gemaakt. De leegwaarderatio in box 3 en de Successiewet wordt uitgesloten als een woning wordt verhuurd of verpacht aan een verbonden partij tegen een niet-marktconforme prijs. Denk aan de situatie waarin u een appartement verhuurt aan uw kind tegen een te lage huur. In deze gevallen geldt de WOZ-waarde zonder vermindering. Ook kun u zich in dat geval niet meer beroepen op de rechtspraak van de Hoge Raad die waardering tegen de waarde in het economisch verkeer toestond. Hanteert u wel een marktconforme huur? Dan behoudt u de toepassing van de leegwaarderatio bij de waardering van de verhuurde woning.

Nieuwe regels voor servicekosten

Vanaf 1 januari 2026 treden nieuwe regels in werking voor de berekening van servicekosten die huurders moeten betalen bovenop hun huur. Er komt een limitatieve lijst met de servicekosten die verhuurders mogen doorberekenen aan huurders. Dit moeten daadwerkelijk gemaakte kosten zijn die redelijk zijn. Er mag geen winstmarge op worden berekend. Verhuurders moeten de servicekosten nauwkeuring onderbouwen. Sommige servicekosten moeten volgens standaardformules worden berekend en er worden maxima gesteld.

Huurders krijgen meer mogelijkheden om de servicekosten te controleren. Daarnaast wordt het eenvoudiger om collectief bezwaar te maken bij de Huurcommissie. Ook vervalt volgend jaar de huurtoeslag voor gemeenschappelijke servicekosten.

Verlaging overdrachtsbelasting bij verkrijging box-3-woning

De overdrachtsbelasting die u verschuldigd bent bij de aankoop van een woning die u niet als hoofdverblijf gaat gebruiken, wordt volgend jaar verlaagd van 10,4% naar 8%. Dit is vorig jaar bij het Belastingpakket voor 2025 al beslist. Bent u van plan om een dergelijke woning te kopen? Stel de aankoop dan uit tot 2026 en bespaar overdrachtsbelasting.

Stel aankoop woning uit voor hogere startersvrijstelling OVB

Koopt u een woning en bent u (of uw partner) ouder dan 18 maar jonger dan 35 jaar? In dat geval kunt u gebruikmaken van de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting (OVB), mits u de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en de vrijstelling niet eerder heeft benut. De vrijstelling geldt tot een bepaalde woningwaardegrens. Die grens is dit jaar € 525.000, maar gaat in 2026 omhoog naar € 555.000. Heeft u plannen om een woning te kopen en voldoet u aan de voorwaarden van deze vrijstelling? Wellicht is het dan verstandig om met de aankoop te wachten tot 2026.

Laat een reactie achter

Scroll naar boven