Tips voor de ondernemer
Einde nadert voor aanvraag subsidie schone bouw
Heeft u een in Nederland gevestigd bouwbedrijf dat bouwmaterieel heeft of bouwmateriaal verhuurt? Dan kunt u nog tot 31 oktober 2025 gebruikmaken van de ‘Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel’ (SSEB). Er zijn binnen deze subsidieregeling vier categorieën te onderscheiden. De SSEB Aanschaf (1) is bedoeld voor de koop of lease van een nieuw emissieloos bouwvoertuig of bouwmachine. De SSEB Retrofit (2) is een subsidie voor het verduurzamen van bestaande bouwwerktuigen. Daarnaast is er de Innovatiesubsidie (3) voor het (door)ontwikkelen van nieuwe emissieloze technieken. Dit loket is inmiddels gesloten. Tot slot noemen we de subsidie voor een haalbaarheidsstudie die leidt tot een project experimentele ontwikkeling naar innovaties van emissieloze bouwmachines en de laadinfrastructuur die daarvoor nodig is. Deze laatste subsidie is nu overtekend, maar na 31 oktober 2025 komt er waarschijnlijk weer nieuw budget beschikbaar.
Tijdig aan- en afmelden voor de KOR
Heeft u een jaaromzet van niet meer dan € 20.000 (excl. btw)? Dan kunt u gebruikmaken van de kleineondernemersregeling (KOR). U hoeft dan geen btw af te dragen, maar u hebt ook geen recht op aftrek van btw die aan u in rekening is gebracht. Past u de KOR al toe en wilt u dit ook blijven doen na 1 januari 2026? Dan hoeft u geen actie te ondernemen om de KOR voort te zetten. Wilt u vanaf 1 januari 2026 geen gebruik meer maken van de KOR? Dan kunt u zich hiervoor online afmelden in Mijn Belastingdienst Zakelijk tussen 1 oktober en 3 december 2025. Past u de KOR nu niet toe, dan kunt u zich in deze periode online aanmelden in Mijn Belastingdienst Zakelijk voor toepassing van de KOR per 1 januari 2026.
Sinds dit jaar bent u niet meer verplicht om minimaal 3 jaar de KOR toe te passen. De verplichte uitsluitingstermijn van 3 jaar, nadat u de deelname aan de KOR heeft beëindigd, is verkort. De uitsluiting geldt nu vanaf het kalenderkwartaal waarin de beëindiging ingaat tot en met het daaropvolgende kalenderjaar.
Eerder verplicht afmelden
Komt u in het kalenderjaar met uw omzet boven de omzetgrens van € 20.000? In dat geval moet u zich direct afmelden voor de KOR. Hierbij telt u niet mee de omzet aan btw-vrijgestelde diensten (met uitzondering van de levering en verhuur van onroerende zaken en financiële diensten op het gebied van betaalmiddelen, kredietverlening en verzekeringen), maar bijvoorbeeld wel de omzet van leveringen aan buitenlandse afnemers, waarop u het 0%-tarief heeft toegepast. Na het afmelden valt uw (overige) omzet in de btw-heffing. U moet dan btw afdragen en btw-aangifte doen. Dat geldt ook al voor de levering of dienst, waarmee u de omzetgrens heeft overschreden. U krijgt dan ook weer aftrekrecht voor zover u belaste leveringen en diensten verricht.
Tip
Bent u een zeer kleine btw-ondernemer met een jaaromzet tot € 2.200? Dan valt u automatisch onder de KOR en bent u dus niet verplicht om u daarvoor aan te melden. Denk hierbij aan vrijwilligers en zonnepaneelhouders.
Algemene voorwaarden beslist geen formaliteit
Algemene voorwaarden lijken vaak een formaliteit, maar vormen juist de juridische basis van elke zakelijke overeenkomst. Ze regelen belangrijke zaken zoals betaling, levering en aansprakelijkheid. Veel ondernemers gebruiken standaardteksten of vergeten de algemene voorwaarden correct toe te passen, wat grote risico’s met zich meebrengt. Alleen als algemene voorwaarden op maat zijn opgesteld én op de juiste manier zijn overhandigd, zijn ze juridisch geldig. Ze bieden dan duidelijkheid én bescherming bij conflicten. Onderschat het belang dus niet: goed opgestelde en correct gehanteerde voorwaarden zijn essentieel voor een professionele en juridisch waterdichte bedrijfsvoering.
Algemene voorwaarden zijn alleen bindend als u ze vóór het sluiten van een overeenkomst noemt én de ander een redelijke kans geeft om ze te lezen. Elk bedrijf is anders, dus standaardvoorwaarden sluiten zelden goed aan. Bovendien gelden er strengere regels wanneer consumenten zijn betrokken dan voor ondernemers onderling. Laat daarom voorwaarden opstellen die passen bij uw bedrijfsvoering én zorg voor een correcte toepassing. Zo voorkomt u discussies en staat u juridisch sterk als het echt nodig
Tip
Laat uw algemene voorwaarden periodiek controleren en actualiseren.
Verplichte e-facturatie is dichterbij dan u denkt – kom tijdig in actie!
U hebt vast al wel iets over ViDA gelezen. Dit is het EU‑pakket VAT in the Digital Age dat onder meer e‑facturatie bij grensoverschrijdende transacties tussen ondernemers vanaf 1 juli 2030 verplicht stelt. Daarnaast hebben de EU-lidstaten individueel de mogelijkheid om e-facturatie te verplichten voor binnenlandse transacties.
Nu lijkt 2030 nog ver weg, maar toch kan het nodig zijn dat u nu al actie onderneemt om u hierop voor te bereiden, zoals hierna blijkt. Verschillende landen, waaronder onze buurlanden België en Duitsland, hebben namelijk al concrete stappen richting e‑facturatie gezet of ze hebben aangekondigd dit binnenkort te gaan doen. E-facturen moeten voldoen aan een bepaalde Europese norm (de EN 16931‑norm). Zonder dit vervalt het recht op btw‑aftrek. Tijdige systeemaanpassingen zijn daarom nodig om hieraan te voldoen.
Dichterbij dan u denkt
Elke EU-lidstaat bepaalt zelf het tempo waarin het de nieuwe wetgeving invoert en of zij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om e-facturatie te verplichten voor binnenlandse transacties. Nederland is hieromtrent nog vrij afwachtend, maar werkt wel aan een stappenplan voor e‑facturatie in Nederland. In België en Duitsland is de wetgeving rondom e‑facturatie al vergevorderd. Vanaf 2026 geldt in België verplichte e-facturatie bij lokale transacties. In Duitsland moeten ondernemers met meer dan € 800.000 omzet vanaf 1 januari 2027 e-facturen verzenden. Per 1 januari 2028 geldt deze plicht voor alle ondernemers, ongeacht hun omvang. Zonder correcte e-factuur vervalt het recht op btw-aftrek. Drijft u handel met ondernemers in deze landen? Dan doet u er goed aan om uw systemen nu al aan te passen.
Filiaal in ander EU-land
Heeft u een filiaal in een andere EU-lidstaat waar e‑facturatie al verplicht is? Dan geldt die verplichting ook voor uw transacties vanuit uw filiaal. Dit kan ertoe leiden dat u al vóór de Nederlandse invoering moet voldoen aan de regels van bijvoorbeeld België of Duitsland. Zorg er dus voor dat u tijdig nagaat welke verplichtingen er gelden in de EU-lidstaten waar uw onderneming een filiaal heeft.
Tip
Zorg dat u tijdig begint met de aanpassing van de softwaresystemen in uw organisatie. De benodigde aanpassingen zijn ingewikkeld en daardoor tijdrovend. Hierdoor voorkomt u dat u te laat bent met e-facturering en beperkt u het risico op fouten en boetes.
Hoe goed is uw vof-overeenkomst?
Regelmatig ontstaan er misverstanden over al dan niet gemaakte afspraken tussen firmanten van een vennootschap onder firma (vof). Het opstellen van een goede vof-overeenkomst kan dit veelal voorkomen. Wordt bijvoorbeeld besloten tot uittreding bij – of ontbinding van – een vof? Zorg er dan voor dat er duidelijke afspraken zijn vastgelegd over de verdeling van activa, passiva én de afrekening van gewerkte uren en vergoedingen (inclusief vastlegging van het aantal uren, tarieven en de rol van iedere firmant). Een objectieve vastlegging, eventueel met hulp van een externe boekhouder of mediator, helpt geschillen beperken en versnelt de afwikkeling bij ontbinding van de vof.
Verduurzamen met SDE++-subsidie
Misschien overweegt u om uw bedrijf te verduurzamen. Denk aan elektriciteitsopwekking met zonnepanelen, het gebruik van warmtepompen en elektrische boilers of technieken om de CO2-uitstoot te verminderen. Weet dan, dat u bij de RVO hiervoor sinds 7 oktober 2025 subsidie kunt aanvragen uit de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++). Hiervoor is een budget van € 8 miljard beschikbaar. Het loket is open tot en met 6 november 2025. Heeft u interesse in deze subsidie? Zorg er dan voor dat u uw project goed heeft voorbereid door te onderzoeken aan welke (nieuwe) voorwaarden het project moet voldoen om voor de SDE++-subsidie in aanmerking te komen. De RVO neemt namelijk alleen complete aanvragen in behandeling.
Tip
Is de aanvraagtermijn 2025 te kort om aan alle voorwaarden te voldoen? Wacht dan met het indienen van de aanvraag. Onlangs is besloten om in 2026 opnieuw € 8 miljard budget beschikbaar te stellen voor deze subsidie. Dus ook volgend jaar kunt u nog van de SDE++-subsidie gebruikmaken.
Tips voor de DGA
Mogelijk lagere belastingrente – maar voorkomen is beter dan procederen
Tegen de forse stijging van het belastingrentepercentage in de vennootschapsbelasting lopen verschillende procedures. Het rentepercentage van de belastingrente is de afgelopen jaren sterk gestegen. Bedroeg de rente in 2021 nog 4%, in 2022 werd deze verhoogd naar 8% en in 2024 zelfs naar 10%. In 2025 bedraagt het percentage 9%. Uw bv kan belastingrente in rekening gebracht krijgen als zij vennootschapsbelasting moet bijbetalen.
Twee rechtbanken hebben inmiddels beslist dat de rentestijging niet redelijk is. Een van deze zaken ligt nu bij de Hoge Raad, de hoogste belastingrechter. De adviseur van de Hoge Raad heeft onlangs geconcludeerd dat de belastingrente in de vennootschapsbelasting te hoog is. Hij heeft de Hoge Raad geadviseerd om de rente te verlagen. Het is nu dus wachten op het verlossende woord van de Hoge Raad.
Belastingrente voorkomen
Hoewel de belastingrente mogelijk wordt verlaagd, is het toch verstandig om een procedure hierover te voorkomen. Een procedure kost immers tijd, levert gedoe op en brengt kosten met zich mee. U kunt voorkomen dat uw bv belastingrente in rekening gebracht krijgt door een reële inschatting te (laten) maken van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Doet uw bedrijf het beter dan u begin 2025 had verwacht en is de winst waarschijnlijk hoger? Verzoek dan om een aanvullende voorlopige aanslag.
Tijdelijke regeling turboliquidatie verlengd
Een rechtspersoon kan – onder voorwaarden – worden ontbonden zonder dat een vereffening hoeft plaats te vinden (de turboliquidatie). De turboliquidatie stelt ondernemers in staat om een bv die geen activa meer heeft eenvoudig te liquideren. Dit kan betekenen dat een bv van de ene op de andere dag is ontbonden en uitgeschreven. Dat kan vervelend uitpakken voor schuldeisers. Om schuldeisers beter te beschermen is op 15 november 2023 de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie in werking getreden. Deze wet verplicht ondernemers om schuldeisers schriftelijk te informeren en financiële stukken te deponeren bij de KvK. Hierdoor krijgen schuldeisers inzicht in het afwikkelingsproces, zodat zij eventueel juridische stappen kunnen nemen. Bij misbruik kunnen bestuurders aansprakelijk worden gesteld of zelfs strafrechtelijk worden vervolgd.
Permanente wet
De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie zou in beginsel 2 jaar gelden en dus op 15 november a.s. eindigen. Maar er was wel voorzien in een mogelijkheid tot verlenging. Daarvan is gebruikgemaakt: de wet is met 2 jaar verlengd. Uit een evaluatie blijkt namelijk dat de tijdelijke wet haar doelen grotendeels bereikt. Bij een turboliquidatie is er nu meer transparantie en een betere rechtspositie voor schuldeisers doordat zij tijdig actie kunnen ondernemen bij vermoedens van misbruik. Wel moet de handhaving worden verbeterd. Dit punt zal worden meegenomen in een wetswijziging voor een permanente regeling die de tijdelijke wet zal vervangen. Om te voorkomen dat de tijdelijke wet vervalt voordat de permanente wet er is, is besloten om de tijdelijke wet met 2 jaar te verlengen.
Tips voor werkgevers en werknemers
Beëindig dienstverband met een vso
De meeste dienstverbanden eindigen ook in 2025 met een vaststellingsovereenkomst (vso). In een vso worden afspraken gemaakt over de ontslagreden (meestal verschil van inzicht) en de hoogte van de ontslagvergoeding (de transitievergoeding). Dit is voor u als werkgever de kortste weg naar een oplossing. Werknemers zullen scherp moeten zijn om hun rechten op WW veilig te stellen. De belangrijkste zaken die u bij ontslag kunt regelen in een vso zijn:
- de einddatum van het dienstverband (opzegtermijn);
- eventuele vrijstelling van werkzaamheden;
- de opname of uitbetaling van vakantiedagen;
- het inleveren van bedrijfseigendommen (auto, telefoon);
- ontheffing van het concurrentiebeding of relatiebeding;
- aanpassing van de gegevens van de werknemer op social media;
- een vergoeding bij outplacement.
Let op bij overname uitzendkrachten
Stel, u wilt uitzendkrachten in dienst nemen, omdat ze goed in het team passen. Er zijn dan enkele zaken waar u op moet letten voordat u een arbeidsovereenkomst opstelt. U loopt namelijk arbeids-juridische en financiële risico’s wanneer u dit niet goed op orde hebt. Een belangrijk eerste punt van aandacht is de ketenregeling en opvolgend werkgeverschap. Dit houdt in dat u drie tijdelijke contracten in 36 maanden kunt geven. Een onderbreking tijdens een periode van ziekte kan meetellen in de keten; informeer daarnaar bij het uitzendbureau. Als u dit niet goed in beeld hebt, kan het (onbedoeld) direct een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden.
Een ander attentiepunt is een eventuele boete bij eerdere overname van een uitzendkracht. Check de leveringsvoorwaarden van het uitzendbureau, om te zien of u hiermee rekening moet houden. Het kan dan voordeliger zijn om de uitzendconstructie nog een paar weken langer door te laten lopen.
Een ander punt waar u alert op moet zijn is de zogenoemde anciënniteitsdatum. De wettelijke transitievergoeding (ontslagvergoeding) wordt namelijk berekend vanaf deze datum, waarop de medewerker als uitzendkracht bij u is komen werken. Zorg ervoor dat u die datum goed in de personeelsadministratie heeft staan. Deze datum geldt namelijk ook voor de opzegtermijn.
Tot slot attenderen we u op de proeftijd. Die mag u niet meer afspreken, als er vergelijkbare werkzaamheden worden uitgevoerd. Het artikel over proeftijd kunt u niet meer opnemen in de arbeidsovereenkomst.
De fiets van de zaak in de salarisadministratie
De fiets van de zaak zorgt regelmatig voor onduidelijkheid over de wijze waarop u deze in de salarisadministratie moet verwerken. Stel, u spreekt met een leasebedrijf een fietsplan af. Het leasebedrag bedraagt € 60 per maand. U stelt de fiets vervolgens ter beschikking aan een werknemer. Dit verwerkt u als volgt in de salarisadministratie.
Op de geleasete ter schikking gestelde fiets is de bijtelling van toepassing. Voor het privégebruik moet u 7% van de waarde van de fiets (inclusief btw) bij het loon van de werknemer tellen. Hiermee is de fiets verwerkt in de salarisadministratie.
U wilt geen extra kosten en spreekt daarom met uw werknemer af dat het leasebedrag wordt ingehouden op zijn brutoloon. Voor die kosten levert de werknemer een deel van zijn salaris in en in ruil daarvoor betaalt u de fiets, die de werknemer kan gebruiken. Er is dan sprake van een cafetariaregeling. Doordat de werknemer minder loon ontvangt, betaalt hij ook minder loonheffing. In het voorbeeld is het leasebedrag € 60. Maar de werknemer betaalt netto minder, afhankelijk van zijn belastingtarief. Dit ‘voordeel’ hoeft niet ten laste van de vrije ruimte te komen, want het voordeel van de ter beschikking gestelde fiets is immers al verwerkt door de bijtelling op het loon van de werknemer.
Medewerker met schuldenstress – wat kunt u doen?
Uit gegevens van het UWV blijkt dat 62% van de werkgevers medewerkers hebben met schulden. Medewerkers met geldzorgen zijn gestrest, melden zich vaker ziek en zijn minder productief. Als u rekening houdt met loondoorbetaling, vervangingskosten, productiviteitsverlies en arbodienstverlening zou u dit als werkgever volgens het UWV zo’n € 400 per dag kosten. Kortom, voldoende reden om hier iets aan te doen.
Wat kunt u doen?
Een medewerker met schulden zal niet graag – en ook niet snel – bij u aankloppen. In veel gevallen speelt schaamte daarbij een grote rol. Het is daarom van belang om alert te zijn op mogelijke signalen, en om actie te ondernemen. Vaak zijn signalen al zichtbaar in de administratie of op de werkplek, al worden ze (nog) niet als zodanig herkend. Denk bijvoorbeeld aan: vaker kort verzuim met vage klachten, een voorschot vragen op het vakantiegeld, regelmatig weglopen van de werkplek om te bellen, fouten maken, er onverzorgd uitzien, of vragen om overwerk. Een loonbeslag is een vrij duidelijk teken. Bij vermoedens van schuldenproblematiek onder uw medewerkers is een goede samenwerking tussen de personeelsadviseur, de leidinggevende en de salarisadministrateur van groot belang. Zij kunnen vanuit hun rollen goed de signalen opvangen.
Tip
Vermoedt u dat een medewerker worstelt met schulden? Neem dan het initiatief om hem of haar te ondersteunen. Maak de situatie bespreekbaar met de individuele medewerker of plan vaste gesprekken in over dit thema, bijvoorbeeld tijdens het werkoverleg. Of neem het op in het personeelshandboek. U kunt medewerkers daarnaast ook verwijzen naar de informatie in de Nederlandse Schuldhulproute.
Criterium zakelijke maaltijd gewijzigd
De Belastingdienst heeft onlangs het uitgangspunt voor de aanwezigheid van een zakelijke maaltijd gewijzigd. De vergoeding of verstrekking van maaltijden is gericht vrijgesteld als de maaltijden een meer dan bijkomstig (meer dan 10%) zakelijk karakter hebben. Daarvan is in ieder geval sprake:
- als een werknemer door zijn werk tussen 17.00 uur en 20.00 uur niet thuis kan eten;
- als een werknemer na 20.00 uur niet thuis kan eten door al dan niet verwacht overwerk (overwerk is de tijd die uitgaat boven de gewone arbeidsduur per dag);
- bij werk op koopavonden;
- bij therapeutisch mee-eten;
- bij werkzaamheden aan boord van vliegtuigen, schepen, boorplatforms of kermiswagens.
Als u dergelijke maaltijden vergoedt, kunt u de werkelijke kosten ervan vergoeden. Ook mag u aansluiten bij het normbedrag voor maaltijden in bedrijfskantines van € 3,95 (bedrag 2025). Het maakt daarbij niet uit waar de werknemer de kosten voor de maaltijd heeft gemaakt.
Aanvraag subsidieregeling praktijkleren derde leerweg
Heeft u in uw bedrijf praktijkplaatsen aangeboden voor een werkzoekende of een werkende met betaalde arbeid? U kunt dan mogelijk gebruikmaken van de ‘Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg’. De subsidie is een tegemoetkoming van maximaal € 2.700 voor de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor het begeleiden bij de beroepspraktijkvorming van een mbo-student in de derde leerweg. Alleen kortlopende bij- en omscholing komt in aanmerking voor deze subsidie. ‘Kortlopend’ wil in dit verband zeggen maximaal 52 weken, waarvan er maximaal 40 in aanmerking komen voor subsidie. Het aanvraagloket opent op maandag 3 november 2025. U kunt uw aanvraag tot en met vrijdag 28 november 2025 indienen bij de RVO.
Elke belastingbetaler
Box-3-grondslag verlagen door tijdig aanslag aan te vragen
Bepaalde belastingschulden verminderen niet de rendementsgrondslag van box 3. Dit kunt u omzeilen door een voorlopige aanslag aan te vragen en deze voor het einde van het jaar te betalen. Op de peildatum van box 3 (1 januari) heeft het bedrag van de aanslag zo toch de box-3-grondslag verlaagd. Maar deze vlieger gaat niet op als de inspecteur de aanslag niet tijdig oplegt, waardoor u niet voor het einde van het jaar kunt betalen. Dat vindt de staatssecretaris niet rechtvaardig. Daarom keurt hij het volgende goed. Als u vóór 1 novembervan het jaarschriftelijk om een (nadere) voorlopige aanslag verzoekt, wordt de desbetreffende belastingschuld al per 1 januari van het volgende jaar (peildatum) als betaald beschouwd bij de berekening van de box-3-grondslag. Dus ook als u de aanslag nog niet heeft betaald.
Lijfrenteverdeling bij echtscheiding
De meeste huwelijken in Nederland zijn gesloten in gemeenschap van goederen. Bij echtscheiding moet de gemeenschap dan 50/50 worden verdeeld. Onder die te verdelen bezittingen valt ook een lijfrentepolis of bankspaarlijfrente die u en/of uw partner hebben /heeft afgesloten. Het verdelen van de waarde van een lijfrente kan zonder belastingheffing plaatsvinden. Hierbij geeft u de verzekeraar of bank waar de lijfrente loopt de opdracht om de lijfrente uit te splitsen en te verdelen tussen u en uw ex-partner. Heeft u de lijfrente ooit afgesloten? Dan wordt uw ex-partner verzekeringnemer (bij een lijfrentepolis) dan wel rekeninghouder (bij een bankspaarlijfrente) van de helft van de waarde van de lijfrente die u destijds hebt afgesloten.
Alternatief
U en uw (ex-)partner kunnen ook besluiten dat de een de lijfrente houdt en dat de ander een geldsom of andere vermogenswaardes ontvangt ter waarde van de helft van de lijfrente. Dat besluit heeft wel fiscale gevolgen. Het bedrag dat de ander ontvangt, wordt dan namelijk tot zijn of haar inkomen gerekend. De betaler kan het als vergoeding betaalde bedrag voor de lijfrente aftrekken van zijn inkomen als persoonsgebonden aftrek.
Tip
Wilt u deze situatie voorkomen? Dan is het handig dat u en uw (ex-)partner tot het einde van het jaar van scheiding fiscale partners blijven. Maar ook dat is niet altijd gewenst.
Hypotheekrenteaftrek op de politieke agenda – aflossen of niet?
De hypotheekrenteaftrek staat weer ter discussie. De beperking of afschaffing van deze aftrek staat tijdens de komende verkiezingen op de agenda van verschillende politieke partijen. De vraag rijst of u als huiseigenaar er verstandig aan doet uw hypotheek versneld af te lossen. Daarnaast speelt wellicht mee dat de hypotheekrenteaftrek vanaf 2031 sowieso vervalt, omdat de maximale renteaftrekperiode van 30 jaar verloopt. Let op, deze termijn geldt sinds 1 januari 2001 per leningdeel. Neemt u eigenwoningschuld toe, bijvoorbeeld bij een verhuizing, dan gaat voor het meerdere een nieuwe 30-jaarstermijn gelden.
Verder kan aflossen van belang zijn als de hypotheek doorloopt tot na de ingang van de pensioenleeftijd. Dit speelt vooral bij aflossingsvrije hypotheken of bij op latere leeftijd afgesloten hypotheken. Een hoge hypotheeklast kan zwaar drukken op het besteedbaar inkomen, zeker wanneer het pensioeninkomen lager is dan het voormalig inkomen tijdens de werkzame jaren.
Aflossen
Een eenmalige aflossing lijkt aantrekkelijk, maar het effect hiervan is mogelijk beperkt. Structureel extra aflossen, bijvoorbeeld maandelijks of jaarlijks, kan er daarentegen voor zorgen dat de hypotheek tegen pensioendatum volledig is verdwenen. Dat kost gedurende de werkzame jaren iets meer liquiditeit, maar levert op de pensioendatum veel rust op. De maandlasten dalen blijvend en door de afbouw van hypotheekrenteaftrek wordt dit voordeel nog sterker. Zijn er – naast extra aflossen – nog andere opties als oplossing?
Lijfrente als alternatief
In plaats van aflossen kunt u de beschikbare liquiditeiten ook besteden aan een extra oudedagsvoorziening in de vorm van een lijfrente, met gebruikmaking van de jaar- en reserveringsruimte. Zeker wanneer uw inkomen vanaf de pensioenleeftijd laag is, kunt u dit als optie meenemen. Daarmee ontstaat belastingvoordeel in box 1 (de lijfrentepremie is immers aftrekbaar), terwijl u de opgebouwde waarde later kunt inzetten om een tijdelijke oudedagslijfrente aan te kopen. De hypotheeklasten zijn daarmee na pensionering (beter) te dragen. Ten aanzien van de uitkeringsperiode kunt u hierbij denken aan de resterende looptijd van de lening na pensioenleeftijd, rekening houdend met de lijfrentevoorwaarden. Zowel met een eenmalige storting als met een periodieke inleg is dit te bereiken. Dit kan daarom interessanter zijn dan een aflossing.
Toch meer kinderopvangtoeslag in 2026
De maximum uurprijzen voor kinderopvang worden in 2026 toch geïndexeerd, terwijl eerder was aangegeven dat dit niet zou gebeuren. Maar daarvan is het demissionaire kabinet teruggekomen. De maximum uurprijzen bedragen in 2026 € 11,23 (in 2025: € 10,71) voor dagopvang, € 9,98 (in 2025: € 9,52) voor buitenschoolse opvang en € 8,49 (in 2025: € 8,10) voor gastouderopvang. Per kind kunt u voor maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag krijgen. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen. De toetsingsinkomens worden in 2026 ook verhoogd, zodat met name de middeninkomens weer meer kinderopvangtoeslag krijgen. In 2026 hebben werkende ouders tot een toetsingsinkomen van € 56.412 (in 2025: € 47.403) recht op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor de opvangkosten voor het eerste kind. Daarnaast wordt het minimale vergoedingspercentage verhoogd van 33,3% tot 36,5% voor werkende ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 165.658 (in 2025: € 159.225). Ook wordt het verschil tussen de vergoedingspercentages voor het eerste en het tweede en volgende kind weer kleiner.



